Artikel speuren Ruud Haak


 

Hier een artikel over speuren van Ruud Haak.

Dit stuk is gelezen "De Gebruikshond" in twee delen.

 

GEUREN & SPEUREN

In een serie artikelen in De Gebruikshond laat Ruud Haak u kennismaken met de werking van de neus en de manier waarop een hond geuren waarneemt. Verder vertelt hij waaruit het 'spoor' bestaat en welke invloeden daarop inwerken. Kortom, de achtergronden van het mooiste, en tegelijk vaak het moeilijkste, onderdeel van de hondensport.

Bij de neus genomen...

Voor een hond is speuren, dus het volgen van een spoor, de gewoonste zaak van de wereld. Maar voor veel geleiders is het een kwelling. Ze laten zich bij de neus nemen...

Onbegrijpelijk

Zelfs ervaren geleiders vinden dikwijls geen verklaring voor het mislukken van hun hond bij het speuren. Woorden als; 'Ik begrijp er niets van, hij moet toch speuren; een hond is toch een neus-dier', zijn kenmerkend voor de misvattingen die er op dit gebied bestaan. De geleider neemt hier, op een gebied waar hij zelf volkomen onbekwaam is met zijn gebrekkige reukvermogen, dikwijls zo maar aan dat zijn hond zonder meer begrijpt wat er van hem verlangt wordt. Een volkomen foute instelling! Natuurlijk nan een hond prima ruiken, maar het volgen van het spoor zoals wij dat willen, zullen wij hem moeten leren: wij moeten de hond duidelijk maken wat we precies van hem verlangen. Maar dan zullen wij wel eerst de nodige kennis over speuren en neusgebruik van de hond moeten hebben. Voor een succesvolle speuropleiding is het van het grootste belang dat de geleider weet hoe de hond geuren waarneemt en wat er op het spoor gebeurt. Alleen met voldoende achtergrondkennis is het mogelijk om succes te hebben in wat zonder meer het mooiste onderdeel van de africhting mag worden genoemd!

Onbekend gebied

We zijn er over het algemeen erg trots op als we in de africhting met onze hond iets bereiken, met name bij de gehoorzaamheidsoefeningen en het pakwerk. Maar juist bij het onderdeel speuren verliezen wij nogal eens de moed. En daarmee ook het vertrouwen in de hond, wat een belangrijke oorzaak is van het falen van veel baas/hond-combinaties.Bij geen ander nderdeel in de africhting is de verbondenheid van de geleider met zijn hond zo duidelijk zichtbaar als bij het speuren. Want hier bereikt men door geweld of 'druk' helemaal niets. Alleen een goede verhouding tussen geleider en hond maakt het mogelijk op dit gebied succes te hebben. Bij het onderdeel speuren komt tot uitdrukking of we bereid zijn de hond in zijn wereld te volgen, en daarmee dus zijn superioriteit op dit gebeid te erkennen. Zijn reukvermogen is talloze malen beter als het onze; maar uiteraard zullen we de hond wel eerst duidelijk moeten maken wat we allemaal van zijn neus verwachten alvorens we daarop kunnen vertrouwen. Het reukorgaan en het reukvermogen van de hond zijn voor de meeste geleiders onbekende grootheden. En dat is tijdens het werk ook vaak duidelijk te zien...

Het reukzintuig

Een zintuig is een orgaan dat in staat is prikkels uit de buitenwereld op te vangen en om te zetten in voor het lichaam verwerkbare signalen. Overigens kunnen ook prikkels in het lichaam zoals bijvoorbeeld in de bloedvaten of in spieren ontstaan. We zullen ons echter bezighouden met geuren uit de buitenwereld die inwerken op het reukzintuig, waarvan de neus de uiterlijke verschijningsvorm is. Het meest opvallende daaraan bij de hond is de neusspiegel. Dit is het licht vochtige, onbehaarde deel van de hond, dat gewoonlijk zwart van kelur is, hoewel deze afhankelijk van de vachtkleur ook bruin of grijs kan zijn. Het oppervlak van de neusspiegel is voorzien van een voor elke hond zeer kenmerkende en verschillende lijntekening. Deze is zelfs zo specifiek, dat men een dergelijke afdruk van de neusspiegel zou kunnen gebruiken voor identificatie als dat bij een mens met vingerafdrukken gebeurt. In de neusspiegel treffen we beide neusgaten aan die als toegang dienen tot de inwendig gelegen neusholten. Bij snuffelen of intensiever ruiken kunnen de neusgaten zich wat vergroten zodat dan grotere hoeveelheden lucht deze gaten kunnen passeren. De spieren in de neuspunt zijn bij volwassen honden, en zeker bij in het speuren getrainde honden, zeer sterk ontwikkeld; een hond kan zelfs zijn neuspunt heen en weer bewegen.

Neusschelpen

Laten wij nu eens een kijkje in de hondenneus nemen.De inwendige neus bestaat uit de rechter en de linker neusholte, die gescheiden zijn door het neus-tussenschot. Bij de hond bevinden zich in de zijwand van elke neusholte talloze inwendige neusschelpen van kraakbeen, die het oppervlak van de inwendige neus vergroten. Deze neusschelpen, bestaande uit de kaakschelpen en de zeefbeenschelpen, zijn net als de rest van de inwendige neus bekleed met slijmvlies dat talloze bloedvaten bevat. De neusschelpen steken vrij in de ruimte en reiken tot het neus-tussenschot, maar zitten daar niet aan vast. Voor in de neusholte van de hond vinden we de kaakschelpen (conchae maxillares) waarop naar verhouding nog weinig reukcellen voorkomen.Deze kaakschelpen veroorzaken echter een wervelende luchtstroming in de neus, waardoor de binnengekomen lucht verwarmd en bevochtigd wordt. Verder naar achteren gelegen vullen de zeefbeenschelpen (conchae ethmoïdale) nagenoeg het gehele achterste deel van de neusholte. In het slijmvlies van deze neusschelpen liggen de grote hoeveelheid reukcellen die de hond in staat stellen om geuren wwar te nemen.

Cellen

In de slijmvliezen van de neus treffen we drie typen cellen aan:

a) de steuncellen. Sommige daarvan worden ook wel tril haarcellen genoemd, en deze verwijderen het vuil en stof uit de neusholte. Vuil en stof dat op deze trilharen terechtkomt, wordt door ritmische bewegingen van de trilharen afgevoerd. De steuncellen geven algemeen stevigheid aan het omringende weefsel.

b) de slijmcellen. Deze scheiden slijm af waar dan vuil en stof aan vast kleven, waarna dit door de trilharen kan worden weggevoerd. Bovendien geeft de slijmcel met het slijm een bepaalde vochtigheid aan de omgeving af, waardoor de ingeademde lucht kan worden bevochtigd. Dit komt de werking van de reukcellen ten goede. Bij de hond ligt een grote hoeveelheid van deze slijmcellen in het voorste deel van de neusholte, waar zich ook al de nodige reukcellen bevinden. In dit gebied moet veel inkomend vuil worden geweerd. Bovendien wordt door het slijm de in- en uitstroming van de te ruiken lucht, met daarin de verschillende 'geur-gassen', wat geremd en eventueel verder bevochtigd.

c) de reukcellen. Deze worden ook wel receptor-cellen of receptoren genoemd. Ze zijn in staat om allerlei gassen in de binnengekomen lucht waar te nemen en de hond informatie te geven over mogelijke gevaren, voedsel en dergelijke.

Speurzin

Bij het snuffelen komt de lucht via de neusgaten in de neusholte en wordt dan door de kaakschelpen verwarmd en bevochtigd, waarna de luchtstroom over en langs de zeefbeenschelpen wordt geleid om daar door talloze reukcellen afgetast te worden. De luchtstroom kan vervolgens door de openingen in de voorhoofdsboezems (bijholten) gaan, waar zich eveneens 'reukslijmvlies' bevindt, om zodoende een extra reukvermogen bij de hond te scheppen. Bij pasgeboren honden zijn de bijholten nog erg klein en ze vergroten zich met het ouder worden van de hond tot zijn volwassenheid. De bijholten liggen in de voorhoofdsbeenderen en ze zijn eveneens bedekt met een laag slijmvlies, waarin zich bij verschillende honden van verschillend ras in die slijmvlieslaag meer of minder reukcellen bevinden. De doorgang naar de bijholten ligt aan de bovenzijde achter in de neusholte van de hond. 'De holten zijn groter naarmate de schedel groter is', schreef de bioloog Wagner in 1930 en hij voegde hieraan toe: 'Het lijkt wel alsof deze karakteristiek speciaal gebonden is aan de speurzin'.

Bijholten

Bij de bijholten onderscheiden we in de eerste plaats de bovenkaaksholten (sinus maxitlaris), die zich direct boven de mondholte bevinden in de omgeving van de tandwortels. Infecties aan het bovengebit kunnen daarom overslaan naar de bijholten, waardoor het reukvermogen van de hond ernstig benadeeld kan worden. Het is daarom van groot belang het gebit van de hond in goede conditie te houden, zodat een optimale werking van alle reukcellen gewaarborgd blijft. De voorhoofdsholten (sinus trontalis) liggen in de voorhoofdsbeenderen en ook in deze holten worden bij de hond reukcellen in het slijmvlies aangetroffen.

Vonteronasaal orgaan

Een orgaan dat zich op de, bodem van de neusholte bevindt en dat nauw met de reukzintuigen is van Jacobson genoemd. Het is een lang, smal, enigszins buisvormig orgaan dat in de neusbodem achter de bovenhoektand begint en over de bodem van de neusholte loopt. Bij de mens is het onontwikkeld of geheel afwezig. Men weet van dit orgaan, dat het een belangrijke rol speelt bij het waarnemen van geuren onder water. Het orgaan bevat zeer veel reukcellen en er is een directe verbinding van dit orgaan met het reukcentrum in de hersenen van de hond.

Beschadigingen

Gebleken is dat ontstekingen in het bovengebit van de hond, en met name aan de hoektand, verstoringen in het reukvermogen van de hond teweegbrengen. Ook het ontbreken van de bovenhoektand kan een belangrijke invloed op het reukvermogen hebben. Bij het speuren is een gezonde en goed ontwikkelde neus een belangrijke factor. Vooral het slijmvlies in de inwendige neus kan gemakkelijk beschadigd worden, bijvoorbeeld door het binnendringen van agressieve gassen, maar ook door ziekten of verkoudheid van de hond. Daarom is het voor iedereen die zich met het speuren van honden bezighoudt belangrijk om te weten, dat het neusslijmvlies na een ziekte of verkoudheid van de hond soms meerdere maanden nodig heeft om weer volledig te herstellen. Bij sommige ziekten kunnen zelfs blijvende beschadigingen of veranderingen, ook aan het reukzenuwstelsel, worden toegebracht.

Het reukvermogen van een hond

In vergelijking tot het reukorgaan van de hond is dat van de mens veel eenvoudiger ingericht. Bij de hond komen we over nagenoeg alle neusschelpen en zelfs in de bijholten nog reukcellen tegen; bij de mens is de aanwezigheid van reukcellen in het slijmvlies beperkt tot de bovenste neusschelpen. Daar hoog in het inwendige deel van d neus, bevindt zich bij de mens ongeveer 4 cm2 slijmvlies dat geelachtig van kleur is en waarin zich de reukcellen bevinden. Deze 4 cm2 betekenen 1/4000 deel van de totale menselijke huid. Bij de hond daarentegen bedekt het veel dikker bruingekleurde reukslijmvlies een waar doolhof van neusplooien. Het totale oppervlak van het reukslijmvlies van hond is, als we het uitvouwen en gelijke dikte brengen met dat van mens, bijna gelijk aan die van de totale huid van de hond! Het aantal reukcellen dat de mens heeft, bedraagt ongeveer 5 miljoen, terwijl er bij een Duitse Herdershond ongeveer 220 miljoen reukcellen in het neusslijmvlies te vinden zijn. De Teckel heeft er zo'n 125 miljoen en van Foxterrier is bekend dat hij naar schatting zo'n 150 miljoen reukcellen heeft. Een duidelijk verschil ten opzichte die 5 miljoen bij de mens. Als men praat over hoeveel maal gevoeliger een hondenneus is, dient men altijd te weten voor welke stof men bedoelt. De Duitse onderzoeker Walter Neuh ontdekte dat de gevoeligheid van neus van de hond ten opzichte boterzuur honderdduizend tot honderdmiljoen keer groter is dan die van mens. De onderzoeker Druscher daarover het volgende voorbeeld: als de moleculen van één gram boter; gasvormig over alle ruimten van tien verdiepingen hoog kantoorgebouw, verdeeld zou worden, dan was de mens nauwelijks in staat deze stof waar te nemen als hij zich in een van de ruimten zou bevinden. Nam men een zelfde hoeveelheid boterzuur en de met deze moleculen het lucht boven de stad Hamburg, dan zou de hond het boterzuur nog op een hoogte van 100 meter kunnen vaststellen. Dergelijke vergelijkingen gaan waarschijnlijk ons bevattingsvermogen te boven, maar het geeft wel een indruk van het ongekende vermogen van honden om geuren te onderscheiden. En wij het op het speurveld maar beter willen weten met onze gebrekkige neuzen!

Pigment

Ook het reukcentrum in de hersenen is bij de mens veel kleiner dan bij de hond. Vanwege ons geringere reukvermogen en ons naar verhouding klein en een- voudig reukorgaan noemen we de mens een microsmaat. Onze honden daarentegen, met hun veel fijnere reukzin en hun ingewikkeld gebouwde reukorgaan en grotere reuk- centrum in de hersenen, noemen we een macrosmaat. Macrosmaten heb- ben een bruinachtig pigment in hun reukslijmvlies en microsmaten (waaron- der mensen, vogels en apen) hebben daar een geelachtig pigment. Het zijn de steuncellen die aan het zintuigweef- sel door hun kleurstof een bepaalde gele of bruine kleur geven. Het reukvermogen is min of meer ver- bonden met de aanwezigheid van pigment in het reukweefselgebied. Van de meeste albino's, bij zowel mensen als dieren, is bekend dat zij gewoonlijk een onvolledige reukzin hebben. Dat mag er mede een oorzaak van zijn dat albino- dieren in de vrije wildbaan een sterk verminderde overlevingskans hebben: enerzijds door hun opvallende witte kleur en anderzijds door hun onvermo- gen om geuren voldoende te onder- scheiden. Het is ook om deze reden belangrijk om bij onze gebruikshonden naar een voldoende pigment te streven, al is er nog geen direct verband tussen vachtkieur en kleur van het reukslijm- vlies aangetoond. Behalve dat onze honden een groter reukvermogen hebben en geringere geuren kunnen ruiken dan de mens, hebben ze ook een groter onderschei- dingsvermogen voor geuren, waardoor de fijnste verschillen tussen geuren voor de hond nog waarneembaar zijn.

Reukproblemen

Maar lang niet alle honden ruiken even goed of even gemakkelijk. De rassen met een (betrekkelijk) korte neus onder- vinden moeilijkheden bij het speuren, onder meer vanwege ademhalings- moeilijkheden evengoed speuren als de andere gebruikshondenrassen, maar ze zullen wat vaker weer op adem moe- ten komen. Verstandige geleiders las- sen dan ook bij zulke rassen op langere sporen regelmatig een pauze in. Bij kleinere rassen komt een naar ver- houding kleiner neusoppervlak voor, waardoor met name op de uiterst gerin- ge geursporen van vele uren oud een nadeel kan ontstaan. Voor het overige zijn ook de kleinere rassen uitstekend in staat om de prestaties die in de sportaf- richting worden gevraagd met gemak te leveren. Bij albino's of erg lichte rassen kan, zoals gezegd, een (sterk) vermin- derd reukvermogen voorkomen.

V@tie

Erfelijke aanleg, intelligentie en training zijn bij elke hond verschillend, maar het zijn wel de ingrediënten die bepalen in hoeverre het speuren succesvol kan ver- lopen. Regelmatige oefeningen, met daarin de nodige variatie en oplopende moeilijkheidsgraden, zullen het onder- scheidingsvermogen van de hond voor bepaalde geuren, zoals dat bij het speu- ren wordt gevraagd, wezenlijk verbete- ren. Maar om eventuele speurproblemen te kunnen verklaren, en de hond tot het hoogste niveau te kunnen brengen, zal de geleider ook de nodige kennis over de werking van de hondenneus moeten heb- ben.

Een frisse neus halen.

In de vorige aflevering van deze serie artikelenoverhetgebruikendemogelijkheden van de neus van de hond, heeft u het een en anderkunnenlezenoverdewerkingvandeverschillende organen, die bij het ruiken betrokken zijn. We zullen nu nog eens wat nader kijken naar de wijze waarop wij mensen geu- ren waarnemen, en hoe het komt dat de hond dat zoveel beter doet.

Het ruiken

Het verschil in de ontwikkeling van het reukzintuig van mens en hond is over- duidelijk. Terwijl bij de mens slechts een klein gedeelte boven in de neus met het reukslijmvlies is bedekt, en de overige delen van de neus geen reukcellen bezitten, is dit gebied bij de hond vele malen groter. De talrijke neusschelpen geven bovendien bij het ademen ee heel andere luchtstroom. Bij de mens strijkt bij rustig ademen de lucht door de onderste en mogelijk nog een klein beetje door de middelste neusgang. Daardoor zullen de reukstof- fen alleen door diffusie (verstrooiing) het reuksiijmvlies bereiken. Rustig ade- mend ruikt de mens dan ook maar heel weinig. De lucht rondom de reukcellen is bij de mens dus in rust. Vandaar, dat een daarin door diffusie doorgedrongen geurstof blijft hangen. Wil de mens werkelijk wat ruiken, dan moet het een sterk prikke- lende stof zijn, of hij moet de lucht extra goed opsnui- ven tot aan de bovenste neusgang. Bij de hond daarentegen wisselt de lucht rondom het reukslijmvlies bij elke ademhaling.

Herinneringen

Dat de hond zo'n hoog ontwikkeld reu- korgaan bezit, wordt ons duidelijk uit zijn afkomst. Immers, alle roofdieren weten hun prooi op te sporen door mid- del van reuk. Ook herkennen zij hun soortgenoten en vijanden aan het nage- laten voetspoor, aan uitwerpselen en dergelijke, zodat hun neus hun waarde- volle informatie geeft om te kunnen overleven. De pasgeboren pup kan nog niet horen en zien, maar zijn gevoel voor warmte en zijn reukvermogen brengt hem ins- tinctief naar de tepel van zijn moeder, waar hij die zo belangrijke voeding voor de eerste tijd moet vinden. De reukzin is dus bij de pasgeboren pup al ontwik- keld. Geur bezit het vermogen om bepaalde herinneringen op te roepen en dit verschijnsel vormt de basis voor de opleiding van alle honden die met hun neuswerken, dus zowel de speurhond als dereddingshond en de hond die naargasiekken, explosieven, truffels of ver-dovende middelen zoekt.Het vermogen van geuren om bepaaldeherinneringen uit vroegere tijden op teroepen is ook bij mensen bekend. Eenbepaalde geur doet ons dan herinnerenaan bijvoorbeeld de vroegere zolder bijoma op de boerderij waar appels lagente drogen, of iets dergelijks. Door zo'ngeur worden we herinnerd aan vroegeren ons geheugen kan die beelden weeroproepen. Mogelijk verklaart dit herken-nen van geur mede waarom een hondvaak zijn vroegere baas na vele jaren alop enige afstand weer herkent.Het is bekend dat de smaak en de reukzich moeten ontwikkelen en dat sommi-ge mensen in staat zijn de voor anderenonwaarneembaar geringe verschillen in reuk of smaak van bijvoorbeeld dran- ken waar te nemen. Dieren werden vroeger, toen het bewaren van voe- dingsmiddelen nog een groot probleem was, meer gebruikt dan nu om spijzen voor te proeven. Nu nog kan men er van op aan, dat een kat geen bedorven vlees zal eten of van zure melk zal drinken.

Het zinituig

Het reukorgaan bestaat uit het gehele systeem van zintuigcellen en bijbeho- rende weefsels. Het dient voor de opna- me van scheikundige prikkels, die om- gezet worden tot zenuwprikkels. Deze worden vervolgens door zenuwvezels naar de hersenen getransporteerd, en pas daar worden we de geur gewaar. Onder reukzin verstaat men het vermo- gen om scheikundige prikkels waar te nemen, die voornamelijk in gasvorm het reuk-orgaan bereiken. Het reukorgaan regelt ook, samen met de smaakzintuigen, de hoeveelheid af te scheiden spijsverteringssappen. Deze regeling loopt via een automa- tisch verlopende reflexbaan van het zenuwstelsel. De zintuigfunctie van het reukorgaan is echter het belangrijkste. Het ruiken doet bij de hond onder andere dienst bij de beoordeling van voedsel en het geeft in- formatie over de richting waarin voedsel gezocht moet worden. Tevens geeft het aan waar zich de juiste paringspartner bevindt, waar de vijanden zijn en waar de grenzen van het territorium liggen.

Hoe honden ruiken

Bij het inademen van de hond stroomt de lucht door de mond en de neusgaten naar binnen. We zullen de weg door het voor ons interessantste gebied, de neus, vervolgen: De ingeademde lucht wordt door de wervelingen in de kaak- schelpen voorverwarmd, vochtig ge- maakt en van veel stofdeeltjes gezui- verd, waardoor minder snel beschadiging van het reukslijmvlies zal optreden. Door het snel op elkaar volgen van reukprikkels wordt de geurgewaarwor- ding versterkt. Veel reukindrukken wekken een uitgesproken aangename of onaangename gewaarwording op, die voor het hele organisme van belang is. Iedereen die weet hoe rotte eieren ruiken, voelt al enige walging bij de gedachte daaraan en bij sommige men- sen kan zelfs die gedachte al tot over- geven leiden. Het mechanisme van de reukgewaar- wording komt als volgt tot stand. De geuren komen in contact met het reuk- slijmvlies. Het geurend materiaal geeft voortdurend deeltjes van moleculaire grootte af, die door de lucht worden ver- voerd naar de reukcellen. Om sterk te kunnen geuren, moet een stof gemak- kelijk in gasachtige toestand overgaan en enigszins oplosbaar zijn in water. De niet-vluchtige stoffen, zoals zware metalen, zijn betrekkelijk reukloos. Het reukslijmvlies is een oppervlakteor- gaan. Dat wil zeggen dat door uitstul- pingen van het oppervlak van elke reuk- cel (de reukharen) het oppervlak sterk is vergroot. De in het slijmvlies gelegen reukharen tasten de geuren af en geven de prikkels door aan de zenuw- vezels. Deze zetten de opgevangen prikkels om in elektrische signalen en geleiden die over de reukzenuw naar het reukcentrum in de hersenen.-Via een ingewikkeld systeem van vezelver- bindingen komen de prikkels voor een belangrijk deel terecht in het oude, zogenaamde limbische systeem van de hersenen, waar zij tot een bewuste geurgewaarwording leiden. Geuit-venmdiging Het reukcentrum in de hersenen past zich snel aan. Bij iets langere inwerking van een geur wordt deze niet meer als waarneming doorgegeven. De herse- nen schakelen als het ware uit, en wij 1ruiken'die geur niet meer, ofschoon die geur er nog wel degelijk is! Het is ook bij mensen een bekend feit, dat een in eerst sterk waargenomen geur na verloop van tijd niet mee wordt geroken. Zo merkt men als men een keuken ingaat waar bijvoorbeeld spruit- jes of bloemkool worden gekookt direct de opvallend sterke geur van deze groenten op. Maar als men enige tijd binnen is, ruikt men ze nauwelijks nog. De geur is er nog steeds, maar ons reukzintuig laat ze, zelfs bij diep opsnui- ven, niet meer tot waarneming komen. We noemen dit geurverzadiging. Willen we de geur weer waarnemen, dan zullen we weer naar buiten moeten gaan, en letterlijk 'een frisse neus halen'. Gaan we vervolgens de keuken binnen, dan ruiken we de gekookte groente weer, hoewel deze geurge- waarwording niet zo lang duurt als de eerste keer. Om die geur weer waar te nemen, zullen we dus telkens even naar buiten moeten gaan. Een dergelijke geurverzadiging komt ook bij honden voor. Ze zullen daarom, bijvoorbeeld tijdens het uitwerken van langere of moeilijkere speuren, van tijd tot tijd hun neus buiten of boven het directe geurveid brengen om als het ware even een frisse neus op te doen. Direct daarna zal de hond weer de oor- spronkelijke geur herkennen en het spoor vervolgen. Zou men een dergelijke handeling bestraffen, dan zal dit er uiteindelijk toe leiden dat de hond zijn werk minder goed gaat doen. Of zijn neus keurig naar de grond brengt en 'doet alsof' hij speurt, zonder dat dit echt het geval is. Een beeld dat we helaas nog maar al te vaak op de speurvelden zien! Reukeellen Aan het zintuigweefsel zijn drie celsoor- ten te onderscheiden, namelijk de steuncellen, de slijmcellen en de eigen- lijke reukcellen. De steuncellen bevat-ten een kleurstof die aan het zintuig- weefsel een bepaalde kleur geeft. Tussen de steuncellen liggen de slijm- cellen, die het slijmvlies vochtig hou- den, en de reukcellen. De reukcellen zijn alle ongeveer gelijk van bouw. Deze zogenaamde neuro-sensorische cellen bestaan uit een rond tot spoelvormig cellichaam met een ronde kern. De reukcellen liggen alle tussen of juist onder de cellen van de opperhuid en zijn voorzien van dunne uitlopertjes: Enerzijds naar het oppervlak van de neusholte, waar zij met hun zenuwui- teinden (de reukharen) het tastorgaan voor geuren vormen; anderzijds naar het inwendige, waar zij in verbinding staan met het zenuwstelsel en de her- senen. De in het slijmvlies gelegen reukharen worden geprikkeld door gasvormig ver- deelde stoffen en kunnen daardoor inlichtingen verstrekken omtrent de samenstelling van de ademiucht De werkelijke wijze waarop de reukzenu~ wen werken, is ingewikkelder, maar voor de hondenliefhebber verder nau- welijks van belang. Het vorenstaande geeft ruim voldoende informatie over hoe geuren worden opgenomen en in de hersenen tot bepaalde indrukken lei- den. De waarneming Alvorens verder te gaan met de geuren en het speuren, wil ik nog wat nader ingaan op de zintuiglijke waarnemingen bij honden. Wat namelijk bij de hond tot waarne- ming komt, is niet iets toevalligs, maar het is voor een groot deel afhankelijk van de interesse van het dier. Deze aandacht is een zich actief wenen naar de indruk. Dit gebeurt vooral als de zintuiglijke indruk voor het dier een bio- logische betekenis heeft. Dat kan gebeuren doordat de indruk uitgaat van een object, of doordat deze een object aanwijst, dat in het leven van de hond een rol speelt. De geur van andere hon- den is hiervan een voorbeeld evenals het zien van een kat of het horen blaffen van een andere hond. De aandacht voor een bepaalde waar- neming kan ook door ervaring bepaald zijn. Vooral de reacties van de-hond op het in een andere kamer naderen van een persoon of dier, dat hij aan de geur herkent, zijn voorbeelden van door aan- dacht sterk verhoogde geurwaarnemin- gen. Door training kan de hond ook aa waarnemingen worden gebonden, die voor een ongetrainde hond ver onder de waarnemingsgrens liggen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij speurhonden, die in staat zijn om vele uren oude spo- ren onder de moeilijkste omstandighe- den uit te werken. Maar ook bij narcotica-honden die getraind worden op het vinden van verdovende middel- en of bij reddingshonden, die in stoffige puinhopen vol voedselresten en gedra- gen kleding de onder puin bedolven mensen moeten ruiken. Door zulke specialistische trainingen op bepaalde geuren heeft men vaak ten onrechte een verstandelijk oordelen, soms ook 'helderziendheid' aangeno- men, terwijl toch in deze gevallen niets anders dan een zeer verfijnd waarne- mingsvermogen van de gewone zintui- gen het handelen van de hond ver- klaart. Ook hoort men vaak mensen vertellen van honden die weten hoe laat het is, of het zondag is, en dergelijke. Dit is in alle gevallen tot een 'verfijnde waarneming door ervaring'te herleiden. Beweging

De waarneming van de hond is voor een belangrijk deel afhankelijk van de bewegingen die een hond kan maken. Zoals wij alleen de vorm van een voor- werp kunnen herkennen wanneer wij het tussen onze vingers draaien, zo moet men zich voorstellen dat bij het dier ook de waarneming in hoge mate gebonden is aan de bewegingen. De bewegingen van het hoofd, de ogen, de oren, maar ook het snuffelen bevorde- ren het waarnemen. Wil men de zintuig- functies van een hond trainen, dan is het dus niet alleen nodig om de aan- dacht van het dier daarop te richten, maar ook het dier zoveel mogelijk gele- genheid te geven tot het uitvoeren van de bewegingen die normaal bij het waarnemen optreden.

Het hond zijn

Het is overigens zeer de vraag, of de zintuigfuncties bij het dier wel zo scherp van elkaar gescheiden zijn als bij ons. Wij weten dat bij een kind het verstaan van het gesproken woord zeer sterk afhangt van de gelegenheid om de spreker te kunnen aankijken. De opti- sche indrukken ondersteunen de her- kenning van de klankbeelden. De hond is gewend om zien en ruiken in vele gevallen te combineren. Hij bezit stellig een andere waarnemingsdrem- pel voor die zintuigen bij hun natuurlijke samenwerking, dan bij afzonderlijke prikkeling. Het is dan ook onlogisch te veronderstellen dat speurende honden alleen hun neus gebruiken en niet met hun ogen zoeken naar bodembeschadi- gingen of veranderingen in het terrein. Net als dat bij alle dieren het geval is, zijn ook bij de hond de zintuigen niet gelijkwaardig aan de onze of ons voor- stellingsvermogen. Het mag niet verge- ten worden, dat de hond voor alles een reukdier is, wat betekent dat zijn reuk- orgaan hem de meeste waarnemingen levert en zijn doen en laten hierdoor vóór alles wordt beheerst. in de tweede plaats komt het gehoor en pas op- de derde plaats het gezichtsvermogen. Beo e. len Bij de mens over- heerst het gezicht. Dit is van belang bij het maken van verge- lijkingen tussen mens en hond. Maar ook voor de oriëntering in de ruimte (bijvoor- beeld thuis of op het speurveld) is dit verschil van belang, evenals voor het herken- nen van voorwer- pen. Onze ruimte, dat wil zeggen de ruimte waarin wij leven, is optisch gebouwd. Wij onderscheiden voor, ach- ter, boven en onder in de eerste plaats met het oog. Wij rangschikken de voor- werpen in een kamer, en de bloemen in de tuin, zodanig dat het oog ze overziet en wij er door onze gezichtswaarne- ming een weg tussen vinden. Als men zich dit goed voorstelt, kan men begrijpen hoe heel anders de hond onze menselijke omgeving moet bele- ven. Want de hond leeft voor alles in een wereld van geuren. Zoals, voor ons mensen, het één zichtbaar meer bete- kent dan iets anders, het zich aan ons opdringt en daardoor het beeld van de omgeving beheerst, zo zullen er voor de hond als het ware geurtorens bestaan, grote geurvlakken, die zijn oriëntering bepalen.

 

Tenslotte zal men moeten bedenken, dat de hond op zijn vier voeten loopt en zijn hoofd dicht bij de grond heeft. Men kan zich het ruimtebeeld van de hond dan ook niet voorstellen; zelfs niet door zelf op handen en voeten te gaan lopen en het hoofd vlak bij de grond te houden. Wij hebben nu eenmaal een ander lichaamsschema en daarom een ander ruimteschema waarin de dingen hun plaats hebben. Het is voor iedere hondenbezitter, en zeker voor geleiders van gebruikshonden, van het grootse belang om dit soort zaken terdege te beseffen, want het kan van doorslaggevende betekenis zijn bij het beoordelen van het handelen van de hond!

Ruud Haak

 

 

 

 

 

...

 

Figuur 1: speur_01

 

Figuur 2: speur_02

 

Figuur 3: speur_03

 

Figuur 4: speur_04

 

Figuur 5: speur_05

 

Figuur 6: speur_06

 

Figuur 7: speur_07

 

Figuur 8: speur_08

 

Figuur 9: speur_09

 

 

 


Terug naar pagina Hondensport
Terug naar Homepage